Wat Mozart kan, kan ik ook? 

Waarom gooien operazangers de ene na de andere aria eruit, terwijl jij op de piano in de stationshal nog steeds worstelt met Amélie? Is het aanleg of training, talent of vooral hard werken? Vragen waarbij het antwoord voor een groot deel gezocht kan worden in de hersenen. Van muzikale creativiteit tot de relatie tot onze hersenactiviteit. Maestro sprak met wetenschapsjournalist Mark Mieras, gespecialiseerd in hersenontwikkeling en auteur van ‘Ben ik dat?’ en ‘Liefde’. Hij gebruikt andere woorden dan musici om te beschrijven wat muziek met mensen doet. Samen met hem nemen we de muzikaliteit in onze hersenen onder de loep.

 “Muziek nodigt uit om te balanceren tussen orde en verrassing.” Dat leren we van een van de workshops die Mark geeft. Veel van wat onze hersenen doen heeft namelijk betrekking op de balans tussen orde en chaos. Hersencellen proberen continu een optimaal level van orde te creëren. Dat betekent niet te veel orde, want dat maakt ons kwetsbaar op de lange termijn. We zouden verslappen; ons aanpassingsvermogen en creativiteit zouden teruglopen. Maar te veel chaos is uiteraard ook niet goed – zelfs gevaarlijk – voor ons functioneren.

Oké, helder. Onze hersenen gaan lekker op precies de goede dosis orde en chaos. Geldt dit dan ook voor het maken van muziek?

“We weten dat de hersenen van musici een grote gevoeligheid hebben voor auditieve patronen. Ze zijn enorm doelgericht. In een split second richten ze hun aandacht op wat emotioneel relevant is. Die vaardigheid is de basis van hun muzikaliteit. Tegelijk draait het bij muzikale creativiteit ook om het vermogen om met die patronen te spelen: om binnen het vertrouwde iets onverwachts te laten ontstaan. Ik zeg expres niet ‘scheppen’, want echte creativiteit is nooit doelgericht. Jazzmusici laten bij het improviseren hun controle los, dat kun je meten. Ze laten zichzelf verrassen en identificeren in de opbrengst vliegensvlug wat interessant is. Dat leer je alleen met jaren ervaring… en plezier.”

De hersenen van musici zijn dus speciaal, maar ook zeer getraind en ervaren. Hoe zit dat dan precies? Werken de hersenen van ‘wonderkinderen’ zoals Mozart nu écht anders dan die van mij? Van profvoetballers wordt bijvoorbeeld wel eens gezegd dat ze een bepaalde ‘intelligentie’ bezitten. Iets wat onze hersenen niet hebben, waardoor ze bovengemiddeld presteren in hun sport. Tegelijk trainen ze zeven keer per week. Is dit dan vergelijkbaar met de hersenen van getalenteerde musici?

Ja, die werken in principe op dezelfde manier. Wonderkinderen hebben wél een heel snel werkende auditieve schors (waar geluidsprikkels worden verwerkt (red.). Dat is voor een belangrijk deel erfelijk. Het grootste geheim van het muzikale wonderkind zit hem echter in de begeleiding. Hun talent wordt vroeg ontdekt en gestimuleerd. Ook intrinsieke motivatie speelt een belangrijke rol. Met tegenzin lukt het niet.”  

Wellicht verklaren we daarmee een stukje van Mozarts genialiteit. Zijn vader, Leopold Mozart, was immers muziekonderwijzer, waardoor er de hele dag door muziekstudenten over de vloer kwamen in huize Mozart. Daarnaast oefende Maria Anna, Mozarts zus, ook dag en nacht. De jonge Amadeus werd dus continu blootgesteld aan klassiek en ontwikkelde zo een vurige passie voor de muziek.

De scheidslijn tussen training en talent is dus dun, maar ze zijn tegelijk ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar waarom is het eigenlijk gemakkelijker om op jonge leeftijd een instrument te leren bespelen?

“Op jonge leeftijd leer je sneller en dieper. Een moedertaal leer je bijvoorbeeld al voor je veertiende. Talent en training zijn onlosmakelijk met elkaar vervlochten. Talent zorgt voor aandacht en succeservaringen en dat stimuleert weer de innerlijke drift tot musiceren. Dit leidt ertoe dat het talent zich verder ontwikkelt. Onze hersenen zijn namelijk gebouwd om zich te specialiseren.” 

Jong geleerd, oud gedaan, zo klinkt het. Iets anders: wat doet het spelen van klassieke muziek met onze hersenen? En is dit anders dan bij andere soorten muziek?

“Als gevolg van de complexe patronen legt klassieke muziek de lat hoog voor onze hersenen. De drempel om gegrepen te worden ligt daardoor ook hoger, maar als dat lukt blijft het langer uitdagend. Tegelijk trainen mensen die jaren klassieke muziek spelen hun hersenen. Dat heeft een aantoonbaar effect. Zo lijkt het dat dementie bij hen bijvoorbeeld gemiddeld pas op een hogere leeftijd optreedt. Ook hebben ze minder last van ouderdomsdoofheid en ontwikkelen ze een hoger reactievermogen. Oorzaak en gevolg is daarbij niet altijd precies uit elkaar te halen, maar veel wijst erop dat muziek je hersenen goed doet.” 

Klassieke muziek is dus een feestje voor je hersenen. Niet alleen om te luisteren, maar juist ook om zelf te spelen. Hoewel erfelijkheid en aangeboren talent natuurlijk heel belangrijk blijven, kunnen je hersenen het met goede training, stimulatie en motivatie heel ver schoppen. Laat je dus niet ontmoedigen als je de volgende keer plaatsneemt achter de ‘stationspiano’, maar bedenk dat er ook een stukje Mozart in jouw hersenen verscholen ligt!