De saxofoon in de klassieke muziek

“Ben jij de nieuwe Candy Dulfer?” Het is de vraag die me sinds mijn elfde levensjaar achtervolgt. Klein als ik was – en groot als mijn saxofoon was – voelde ik het al snel aan wanneer de vraag zich weer aandiende.

Zoals een ander hoopte dat zijn rapport niet ter sprake kwam, hoopte ik van harte dat mijn ouders op feestjes het niet in hun hoofd haalden om met trots te vertellen dat ik mijn eerste saxofoonles had gehad, maar je kunt erop wachten: vroeg of laat komt het rapport vanzelf ter sprake. Zo ook de mededeling dat we nu een heuse saxofonist in ons midden hebben, gevolgd door een koor van vertroetelend “Ahhhhh ben jij de nieuwe…” Juist. Ik ergerde me er dood aan. Wacht maar, dacht ik, ik zal ze eens wat laten zien. Maar nu, bijna 20 jaar en twee cum laude conservatoriumdiploma’s later, achtervolgt de vraag me nog steeds.

Door: Femke Steketee

Beantwoordde ik hem vroeger met rode wangen en mijn ogen gericht op mijn schuifelende voetjes, tegenwoordig met een steevast “nee, dat ben ik niet,” met een nadruk op de ‘t’ van nieT waarmee ik hoop dat ik de vraagsteller zodanig heb afgeschrikt dat verdere uitleg overbodig is. Nu denkt u vast: wat is er zo erg aan om de nieuwe Candy Dulfer te zijn? Die vrouw hupst toch maar lekker overal rond en heeft nota bene met Prince, ja ik bedoel hallo, Prince (!) samengespeeld.

Nee, dat is het niet. De vraag komt voort uit het feit dat mensen de saxofoon automatisch associëren met jazz. Of funk (sorry Candy). Wat de meeste mensen niet weten is dat toen Adolphe Sax de saxofoon rond 1840 ontwikkelde, het instrument oorspronkelijk bedoeld was voor klassieke muziek. Sax beoogde een instrument dat alle kwaliteiten van instrumenten uit een symfonieorkest in zich zou verenigen en hoopte dat de saxofoon ooit een vaste plek in het orkest zou krijgen. Die kwam er al snel in het harmonieorkest, maar de vaste plek in het symfonieorkest is nooit gelukt. In plaats daarvan zijn er enkele glansrollen voor de saxofoon geschreven door componisten als Ravel, Mussorgsky en Rachmaninov.

Als “klassiek saxofonist” word je zo nu en dan ingehuurd door een symfonieorkest om een van die glansrollen in een Bolero, Symfonische Dansen, of Schilderijententoonstelling te komen vertolken. Vooral dit laatste stuk heeft mij als kind doen beslissen klassiek saxofoon te willen spelen. Met een trompettist als vader, die de welbekende opening van het stuk speelt, zat ik als klein meisje vol spanning in de zaal. Het geluid van de saxofoon, dat als een verrassing in het vierde deel inzet en sierlijk over de sobere begeleiding van de fagot zweeft, heeft me altijd gegrepen en ik hoopte dat er een dag zou komen waarop ik het zelf zou spelen.

Die dag doet zich regelmatig voor nu ik klassiek saxofonist ben. Toen ik onlangs in de trein met saxofoonkoffers en al door het gangpad banjerde en uiteindelijk neerplofte, keek een paar vragende ogen mij aan. “Nee,” begon ik. Dit keer was ik ‘m voor. “Ik ben niet de nieuwe Candy Dulfer.” “Oh,” klinkt enigszins teleurgesteld. “Maar je speelt toch wel jazz?”